Skip to content

Publicaties

Wijziging RVU (regeling vervroegd uittreden) in een notendop

Heeft u of bent u een werknemer uit de geboortejaren 1955 tot en met 1961? Dan bestaat de mogelijkheid om in samenspraak (wederzijdse goedkeuring) te komen tot een vervroegd uittreden zónder dat hierover een boete verschuldigd is. Op 12 januari 2021 behandelt de Eerste Kamer het wetsvoorstel ‘Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen’. Naar verluidt zal met terugwerkende kracht tot 1 januari 2021 de boete op de eindheffing van de RVU, oftewel regeling vervroegd uittreden, vervallen. Deze tijdelijke regeling duurt vanaf 2021 tot en met 2025 (met eventuele uitloop naar 31 december 2028). Voorheen dienden werkgevers een eindheffing te betalen van 52%, maar in het licht van een nieuw pensioenakkoord is deze boete voorlopig van de baan. De ratio was oorspronkelijk voor ‘zware beroepen’, echter deze regeling is nu generiek van toepassing.

Regeling Vervroegd Uittreden

De RVU is een uitkering door werkgever aan werknemer die laatstgenoemde ten dienste stelt de periode tot hun pensioen financieel te overbruggen. Als zodanig is het een tijdelijke aanvulling op reeds geldende structurele generatiepactregelingen om verjonging van het personeelsbestand op gang te brengen. De RVU ziet dan ook op werknemers maximaal 36 maanden voor hun AOW-datum. Afgelopen jaren is er veel veranderd in en rondom het pensioen, waaronder een verhoging van de pensioenleeftijd. Deze verhoging is voor werknemers met zwaar werk snel verlopen. Het kabinet heeft met het wetsvoorstel uit 2019 meer ruimte willen bieden voor keuzevrijheid in het pensioenstelsel. De RVU-vrijstelling is een van de keuzemogelijkheden om werknemers op ‘gezonde’ wijze hun pensioen te laten halen. De vrijstelling van de boete is gemaximeerd op een bedrag van per jaar € 21.200,00 bruto (jaarlijks geïndexeerd). Bedragen voor de komende jaren zijn bij schrijven van dit artikel nog niet voorhanden. Een RVU-uitkering kan zowel maandelijks als in een maal plaatsvinden.

In de praktijk

De Hoge Raad heeft in 2018 een kader geschetst aan de hand waarvan de RVU-toets voor elke soort vertrekregeling kan worden uitgevoerd. Dit kader ziet er als volgt uit:

  • Allereerst wordt getoetst aan de objectieve voorwaarden van een vertrekregeling. Dit kan op collectief dan wel individueel niveau:
    • Beoordeeld wordt of het ontslag al dan niet leeftijd gerelateerd is;
    • De beweegredenen van de werkgever en de werknemer zijn hierbij niet relevant;
  • Als op basis van de objectieve voorwaarden sprake kan zijn van een RVU, dan vindt op individueel niveau nog een toets plaats op basis van de objectieve kenmerken van de regeling:
    • Beoordeeld wordt of de ontslagvergoeding feitelijk in staat stelt om te overbruggen tot aan de AOW-leeftijd, dan wel eerdere pensioendatum, of gezien kan worden als een aanvulling op het pensioen;
    • Deze beoordeling vindt plaats aan de hand van een 70%-toets. 1

Vragen over en/of samenhangend met de RVU?

Hebt u vragen over en/of samenhangend met de RVU of een andere arbeidsrechtelijke vraag, neem dan contact op met onze arbeidsrechtspecialisten: mr. L.S.F. (Simon ten Feld) of mr. P.H.A. (Pieter) Mulder. Beide zijn bereikbaar op telefoonnummer (0546) 57 59 88. U kunt uw vraag ook mailen naar tenfeld@muldervangeel.nl of mulder@muldervangeel.nl.

1 Hoge Raad 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:958

Deze informatie delen: